Monasticon

details




Catharina
Plaats:SCHAGEN
Periode:vóór 1421 - 1576(?)
Namen, zegels & ligging:
1.1 Benamingen in de bronnen
Susteren van sinte Franciscus orde van St. Catherinen convente te Schagen (1421)1. Baginen (1514)2. tHof (1562)3.
1.2 Zegel met randschriften
Geen zegels bekend.
1.3 Ligging
Het convent, met de kapel en de paterswoning, lag aan het eind van de Hoogzijde, waar over de gracht eerder in deze eeuw nog de Bagijnenbrug te vinden was, op de hoek met de Laan (vroeger: Bagijnenlaan).
Geschiedenis:
2.1 Voorgeschiedenis vóór toetreding Derde Orde
Niet van toepassing
2.2 Stichting c.q. toetreding tot Derde Orde
Aansluiting bij de derde orde blijkt uit de aanduiding 'susteren van sinte Franciscus orde' in het privilege van Jan van Beieren (1421), versterkt door de aanduiding van pater Willem Woutersz als 'minister van de West-Friese tertiariërs' (1433).4
2.3 Lidmaatschap Kapittel van Utrecht
Lidmaatschap van het Kapittel van Utrecht kan worden opgemaakt uit het optreden van minister Willem Woutersz ten behoeve van de tertiarissen van Sint Caecilia in Hoorn (1433).5
2.4 Clausuur
Geen gegevens bekend.
2.5 Beknopte geschiedenis
Het convent wordt op 30 aug. 1421 met zijn goederen in bescherming genomen door hertog Jan van Beieren en ontvangt van hem vrijdom van wapenschouw, heervaart, schot en dergelijke.6 In 1426 worden deze privileges door hertog Philips van Bourgondië bevestigd.7 Verdere bijzonderheden uit de geschiedenis van het convent, voorafgaande aan de gebeurtenissen tijdens en na de Opstand, zijn niet bekend.
In de literatuur is enige verwarring ontstaan rondom het bestaan van een tweede convent in Schagen. Voets veronderstelde dat er in deze plaats een Mariaklooster moet zijn geweest.8 Deze suggestie is door Lambooij c.s. terecht afgewezen op grond van het ontbreken van elk archeologisch of archivalisch spoor.9 Minder plausibel is hun suggestie dat er verwarring is ontstaan met het convent Schagen te Leiden: dit had ook het Catharinapatrocinium. Voets heeft vermoedelijk een passage van Römer slordig gelezen.10
2.6 Relaties met andere kloosters
Vermoedelijk werd het Catharinaconvent Schagen te Leiden vanuit het Schager convent gesticht (zie aldaar); daarop wijst ook de associatie van de beide conventen in de testamenten van de Alkmaarse pater Simon Simonsz.11 Het convent te Schagen verweerde zich in 1529 gezamenlijk met de andere West-Friese tertiarissenconventen tegen inmenging van de proost van West-Friesland. De biechtvader van Schagen trad bij die gelegenheid op als syndicus van de derde orde.12
2.7 Begunstigers
Simon Simonsz van Schagen, pater van het Jonge Hof te Alkmaar, bedacht het convent te Schagen met kleine geldbedragen in enkele van zijn testamenten.13
2.8 Overgang tot een andere orde en beknopte geschiedenis daarna
Niet van toepassing
2.9 Opheffing/lotgevallen van de conventualen tijdens de Opstand
Omstreeks oktober 1568 dringt een groep vagebonden, op strooptocht door de kop van Noord-Holland, onder leiding van de Schagenaar Dierick Maertsz in het convent binnen en doet zich daar aan de voorraden te goed. De daders worden kortop daarop gearresteerd en op 13 november van datzelfde jaar door het Hof van Holland ter dood veroordeeld.14 In 1576 blijkt het beheer van de conventsgoederen in handen genomen door wereldlijke adnministrateurs. Uit de rekening over dat jaar, die op 22 juni 1577 werd opgemaakt, kan worden opgemaakt dat de totale jaarlijkse kosten van alimentatie dan 210 gulden bedragen.15 Op 9 maart 1577 krijgen schout, schepenen en regeerders van Schagen uit naam van koning Philips toestemming om het convent om te zetten in een weeshuis. Uit het rekest van het stadsbestuur, waarvan de tekst in het octrooi is geïnsereerd, blijkt dat er bij het begin van de oorlog niet meer dan negen conventualen waren, van wie twee ouder dan 72 jaar, vier van omstreeks vijftig jaar en drie tussen dertig en veertig jaar, en dat ze nog slechts een gedeelte van het convent bewoonden. In het octrooi worden individuele alimentatiesommen bepaald en bedongen dat de conventualen in een deel van het convent mogen blijven wonen. Naarmate de conventualen uitsterven, komen de conventsgoederen ter beschikking van het weeshuis. De administrateurs van deze goederen zijn rekenplichtig aan de Rekenkamer van Holland of aan een door het Hof van Holland aan te stellen commissie.16 In de jaren die daarop volgen gaan de 'curatores van de conventsgoederen' (in 1580: weesmeesters en curatores van de conventsgoederen') over tot herbestemming van de conventsgebouwen, waaronder de inrichting van een weeshuis (zie rubriek 3.5). Tussen het stadsbestuur en de ex-conventualen doen zich verschillende moeilijkheden voor. In 1580 heeft de magistraat een geschil met de Gedeputeerde Raden van Noord-Holland rondom de aanspraak op alimentatie door een meisje dat enige jaren in het klooster had gewoond, maar geen professie had afgelegd (zie 6.3).17 In de jaren daarna wordt gerept van onenigheden tussen het stadsbestuur en de ex-conventualen, waarvan de aard onbekend is en waarvoor de heer van Schagen zich in 1588 als bemiddelaar opwerpt.18 Een proces voor het Hof van Holland tussen de weesmeesters als rechtsopvolgers van het convent en een zekere Trijn Michiels over de restitutie van vijf geerzen land onder Haringhuizen, die door de geprofessiede zuster Griete Allerts aan het convent waren nagelaten, wordt beslist in het voordeel van de weesmeesters (1592).19
Gebouwen & materiële cultuur:
Economie:
3.1 Afbeeldingen
Het convent wordt afgebeeld op een kaart uit 1561, behorend bij een landmetersrapport dat werd gebruikt in een proces over een erfeniskwestie tussen de heren van Schagen en de familie Van Nijenrode. Deze afbeelding toont een negen- of tiental gebouwen rondom een binnenplaats, met een blinde muur aan de zijde van de openbare weg. Het meest oostelijke gebouw is, gezien de aanwezigheid van een dakruiter, blijkbaar de kapel.20 De kapel met het torentje is ook te zien op de kaart van Noord-Holland door Joost Jansz Beeldsnijder (1575).21
3.2 Archeologisch onderzoek en restanten
Het overzichtsartikel van Diederik meldt geen archeologische vondsten met betrekking tot het klooster.22
3.3 Beschrijving/reconstructie afzonderlijke kloostergebouwen
Zie de details genoemd in rubriek 3.5.
3.4 Interieur en voorwerpen

Het convent beschikte over een brouwinstallatie: in 1579 verkopen de voogden het brouwgetouw, waarvoor ze in 1580 een kwitantie afgeven.23
3.5 Geschiedenis na de opheffing/overgang naar andere orde
In 1576 wordt een reparatie uitgevoerd aan het ziekhuis van het convent.24 In januari 1579 verhuren de voogden van het convent een deel van de gebouwen: genoemd worden het brouwhuis, de tuin, de kelder onder het spinhuis en een 'pishuysken'.25 In datzelfde jaar wordt besloten de kapel te repareren en in gebruik te nemen als schoolgebouw.26 Eveneens in 1580 is sprake van een zekere meester Jan, die het patershuis bewoont, en van de verhuur van de paterskamer aan Pieter Wybrantsz.27 De inrichting van een deel van het complex als weeshuis wordt in 1581 ter hand genomen.28 Uit erfpachtoorkonden van 1592, 1603 en 1628 blijkt dat een ander deel van het complex aan particulieren in gebruik is gegeven.29 Een kaart uit 1632 laat op de plek van het convent woonhuizen zien.30 En nog in 1744 worden woonhuizen aangeduid als liggend in het klooster.31 Pas in 1820 wordt het weeshuis afgebroken.32

4 ECONOMIE
4.1 Huizen- en grondbezit
In de Informacie (1514) wordt gesproken van grondbezit van de 'baginen' in de banne van Schagen; samen met dat van andere geestelijke instellingen bedraagt het ruim 91 morgen.33 Eén perceel, de 'bagynnen weyde', ligt blijkens de kaart van 1561 direct ten zuiden van het convent. Onder Barsingerhorn en Haringhuizen bezit het convent in 1514 nog eens 2,5 morgen.34 Tijdens de opstand wordt het totale landbezit op niet meer dan veertien morgen getaxeerd.35 Uit de rekening van de kloostergoederen over 1576 kan de omvang van het grondbezit niet worden opgemaakt. Wel wordt bij de inkomsten een bedrag geboekt uit de verhuur van een boomgaard. De uitgaven betreffen onder meer het schot: 90 gulden 7.5 stuiver voor schot binnen Schagen en in totaal een kleine 75 gulden voor weiden onder de Haringerban, Winkel, Kalverdijk en Burghorn.36
Specifieker is de legger van conventsgoederen die op 6 dec. 1577 werd aangelegd:
-een stuk land aan de oostzijde van de Laan (onder Schagen): 7 geerzen 5.5. snees
-een weide aan de westzijde van de Laan: 5 geerzen
-groedtland onder Avendorp: 6 geerzen 4 snees
-weiland bij Lutjewal: 5 geerzen 3.5 snees
-groedtland aan de zuidzijde van het Rozewerfje (?): 2.5 geerzen 4.5 snees
-groedtland in de ban van Haringhuizen: 5 geerzen
-groedtland in de ban van Winkel: 7 geerzen 1.5 snees
-groedtland binnen Burghorn (omvang niet vermeld)
-groedtland in de ban van Haringkarspel: 2 geerzen 7 snees.37
Het verpondingskohier van 1595 voor Schagen tenslotte vermeldt onder de aangeslagenen gevestigd aan de Zuidzijde van het dorp de arme wezen met een grondbezit van 33 geerzen en 10.5 snees.38
4.2 Rentebezit
De legger van 1577 noemt slechts twee jaarlijkse renten, van zes gulden elk.39
4.3 Economische activiteiten conventualen
Volgens Lambooij c.s. zou het convent hebben dienst gedaan als gasthuis voor zieken en minder bedeelden.40 Maar vermoedelijk gaat het bij het 'sieckhuys' dat in 1576 wordt gerepareerd slechts om de ziekenzaal voor de zusters.41 Wel staat vast dat de zusters zich hebben bezig gehouden met spinnen en ook zelf bier hebben gebrouwen. Dit kan worden opgemaakt uit de vermelding van een spinhuis en van een brouwhuis met brouwgetouw in 1579.42
4.4 Financiële en economische situatie
Uit 1562 en 1565 zijn niet nader gespecificeerde betalingen van steeds 53 gulden aan het convent bekend.43 Volgens het rekest van het stadsbestuur van 1577 bedragen de inkomsten van het convent niet meer dan 400 gulden.44 In de rekening over 1576 wordt het bedrag van 432 gulden genoemd.45
4.5 Beheer van goederen tijdens en na de Opstand
Uiterlijk in 1576 is het beheer van de conventsgoederen door de magistraat in handen gelegd van wereldlijke curatoren.46 Op 25 februari 1577 ontvangt het stadsbestuur een missive van Guillaume Mostaert met de aanzegging de verhuring van de geestelijke goederen te Alkmaar te komen bijwonen; de vroedschap weigert daaraan gevolg te geven.47 Omstreeks dezelfde tijd zal het rekest aan Willem van Oranje zijn gezonden dat leidt tot het octrooi van 9 maart 1577 uit naam van de koning om het convent en zijn goederen tot een weeshuis te bestemmen.48 In datzelfde jaar doet heer Johan van Beijeren van Schagen een eerste poging om zich in het beheer van de conventsgoederen te mengen: de vroedschap besluit zich aan de bepalingen van het octrooi te houden.49 In december 1577 wordt dan ook de legger van de goederen van de 'arme wezen' aangelegd.50 De herbestemming van de conventsgebouwen is hiervoor in rubriek 3.5 aan de orde geweest. Van belang is nog een vroedschapsbesluit van 1580 om kerke- en andere geestelijke goederen niet langer dan voor één jaar te verhuren, behalve zaailand, dat voor termijnen van vier jaar wordt uitgegeven.51
Omstreeks 1585 probeert de heer van Schagen opnieuw zich met de administratie van de voormalige conventsgoederen te bemoeien, tegen het octrooi van 1577 in.52
Geestelijk & intellectueel leven:
Prosopografie:
5.1 Handschriften
Handschrift Gent, UB 1764, met negen collaties van Brinckerinck en een brief van Hendrik van Coesfeld, heeft op f. 74v de aantekening 'dit boch hoert toe Scaghen'.53
5.2 Scriptorium
Geen gegevens bekend.
5.3 Literaire productie
Geen gegevens bekend.
5.4 Liturgische activiteiten
Geen gegevens bekend.

6 PROSOPOGRAFIE
6.1 Ministrae/matres
Geen gegevens beschikbaar.
6.2 Procuratrices
Geen gegevens beschikbaar.
6.3 Overige ingezetenen
Gegevens over de inwoonsters zijn alleen beschikbaar uit de tijd van de opheffing van het convent. Bij het uitbreken van de Opstand zijn er niet meer dan negen inwoonsters. De volgende namen zijn bekend:
Maritgen Gherytsdr van Hoochtwoudt: zij wordt omstreeks 1568 op 12- à 13-jarige leeftijd opgenomen, verlaat bij de reformatie het convent zonder haar professie te hebben gedaan. In 1580 doet zij aanspraak op alimentatie op grond van het feit dat niet de al dan niet afgelegde professie beslissend is voor het toekennen van alimentatie, maar de noodzaak om conventualen van onderhoud te voorzien nadat zij van hun conventsgoederen zijn beroofd. De Gedeputeerde Raden van Noord-Holland stellen haar in het gelijk (16 april 1580), maar het stadsbestuur, gesteund door verklaringen van enkele conventualen, gaan in verweer met het argument dat het meisje door haar jeugdige leeftijd het convent alleen gekost en geen profijt gebracht heeft.54
Dirk Gerritsdr, in 1580 77 jaar.55
Anna Gerritsdr, in 1580 77 jaar.
Neel Willemsdr, in 1580 63 jaar.
Aefje Claesdr, in 1580 55 jaar.
Geert Jansdr, in 1580 55 jaar.
6.4 Patres
Willem Woutersz (1433; 1434). Op 17 april 1433 leggen enkele novicen van St. Caecilia in Hoorn de geloften af in handen van heer Wilhelmus Wouterusz de Scagha, 'minister van de Westfriese tertiariërs'.56 Op 16 febr. 1434 wordt heer Willem Woutersz, priester in Schagen, in plaats van de overleden Pouwels Albertsz, priester in Medemblik, gekozen tot procurator van de door wijlen Ludue Hermans weduwe gestichte vicarie te Hoorn.57
Rodulphus Jansz Potter (1525; 1529). In 1525 is hij getuige in een notariële schenkingsakte ten gunste van het Jonge Hof te Alkmaar.58 In 1529 wordt hij vermeld als syndicus van de conventen van de derde orde in West-Friesland; hij voegt zich dan, als verweer tegen de inmenging van de proost van West-Friesland, drie helpers toe, een te Enkhuizen en twee te Hoorn.59
Jan Maertensz (1562; 1565).60
De vermelding van Simon Simonsz als pater van het Catharinaconvent (begin zestiende eeuw)61 berust op een misverstand: hij was slechts pater van het Jonge Hof te Alkmaar.
6.5 Voogden/rentmeesters
Cornelis Jansz Brouwer (1576; 1580). In 1580 heet hij weesmeester en curator van de conventsgoederen.62
Sybrant Cornelisz / Corssen (1576; 1579; 1581).63
Thijs Matthijsz (1579).64
Frederik Rembrandtsz (1579).
Lucas Nanningsz (1579).
Pieter Simonsz Houp (1580).65
Jacob Louwen (1581).66
Jan Jansz Mouwen (1581).67
Archivalia:
7.1 Conventsarchief
Stukken uit het eigenlijke conventsarchief zijn niet bewaard. De belangrijkste archivalia betreffen het weeshuis, dat in 1577 / 1581 de plaats van het convent innam en waaraan het goederenbezit overging. Het weeshuisarchief is onderdeel van het oudarchief van Schagen (RegA Alkmaar).
7.2 Andere archivalia
RegA Alkmaar:
OA Schagen inv. 294-301: stukken betreffende het weeshuis. Inventaris: J.R. Persman, 'Inventaris van het oud-archief der gemeente Schagen' (typoscript; Haarlem 1960-1961). Van belang is nog een oudere inventaris, uitgegeven door C.W. Bruinvis in Kronijk van het Historisch Genootschap 13 (1857) 240-273. De inventarisnummers 294-298 zijn stukken - waaronder enkele charters - met betrekking tot de verkoop van gereedschap en het verhuren en verpachten van gedeelten van het convent door de weesmeesters als curatoren van de conventsgoederen, 1577-1628. Inv. 299: octrooi van Philips II om het convent om te zetten in een weeshuis (9 maart 1577). Een 19e-eeuws afschrift van deze oorkonde: NHA, Losse Aanwinsten inv. 1346. Grotendeels geëxcerpeerd in Philippona (1886) 142-144. Inv. 300: stukken betreffende het rekest van Maritgen Gherytsdr van Hoochtwoudt aan Gedeputeerde Raden van Noord-Holland (1580). Inv. 301: acte van uitspraak van het Hof van Holland met betrekking tot de aanspraak van Trijn Michiels (1592). Tot het weeshuisarchief kan ook nog een relevant gedeelte van inv. 387 worden gerekend: een 'legger van kerk-, kapel-, getijden-, memorie-, Heilige Geest-, klooster- en weeshuisbezittingen opgemaakt omstreeks 1582', in werkelijkheid een convoluut met bestanddelen van diverse herkomst. Eén bestanddeel (ongefolieerd) is een 'Regyster van allen den cloosterlanden ende goeden soe wel buyten als binnen Scagen leggende, zoals ze door Z. Exc. aan de arme wezen zijn toegewezen', opgemaakt op 6 dec. 1577.
Eveneens relevant: OA Schagen inv. 1: resolutieboek van de 'gemene rijkdommen' (de vroedschap). Inv. 103: verpondingskohier van Schagen van 1595.
NA:
Graven van Holland inv. 252 (register van hertog Jan van Beieren) f. 57v: hertogelijk privilege van 1421; inv. 895 (register Commissiones Bourgogne) f. 52v: bevestiging van dat privilege door Philips de Goede.
Hof van Holland xx: veroordeling van Dierick Maertsz van Schaegen en anderen, 13 november 1568. Editie: Marcus (1735) 335-342.
NHA:
Losse aanwinsten inv. 1346: afschrift van het octrooi van 9 maart 1577.
ORA Schagen inv. 5885: register van transporten 1555-1576.
WA:
Verspreide archivalia.
Literatuur:
8.1 Specifieke literatuur
Philippona (1886).
8.2 Algemene literatuur
Bruinvis (1857) 253-264 nr. 65; Bruinvis (1893a) 13-14; Bruinvis (1903) 121; COO nr. 1108; Diederik (1985) 214-216; Fruin (1866) 144-145; Van Engen (2006) 199; Van Gelder (1960) 72-90, in het bijzonder 78; Goudriaan (1998) nr. 135; Van Heel (1939) 198-199; Lambooij e.a. (1996) 70-72, 87; Marcus (1735) 335-342; Overvoorde (1917) I, 37; Verhoeff (1983) 104-105; Voets (1946/7) 162.
Noten:
1. NA, GvH inv. 232 f. 57v; Van Heel (1939) 198-199.
2. Fruin (1866) 143.
3. NHA, ORA Schagen inv. 5885 p. 79.
4. NA, GvH inv. 232 f. 57v; WA, OA Hoorn inv. 804 (regest 313).
5. WA, OA Hoorn inv. 804 (regest 313).
6. NA, GvH inv. 232 f. 57v; Van Heel (1939) 198-199.
7. NA, GvH inv. 895; Van Heel (1939) 198-199.
8. Voets (1946/7) 162.
9. Lambooij e.a. (1996) 72.
10. Römer (1854) I, 594: hij spreekt over Maria/Abcoude te Leiden.
11. RA Leiden, Kerken inv. 493 f. 111v (cartularium van het Sint-Pancraskapittel) over het convent Schagen te Leiden: 'vocantur sorores de Scaghen quia ibi habitaverunt antequam hinc (?) venerunt'; Overvoorde (1917) I, 37. Testamenten: Bruinvis (1893a) 13-14 (ontwerp testament) en (1903) 121.
12. WA, OA Hoorn inv. 781.
13. Een Philippusgulden voor een ton bier in het ontwerptestament Bruinvis (1893a) 14 (tevens een gulden voor onder meer het convent Schagen te Leiden); 30 stuivers voor Gouds bier aan onder meer Catharinaconvent Schagen en convent Schagen in Leiden, Bruinvis (1903) 121. De toedracht zoals beschreven door Lambooij e.a. (1996) 69; 71 berust op misverstanden.
14. Marcus (1735) 335-342. De datering kan worden opgemaakt uit het relaas over de wandaden van Jan Lubbertse van Hoorn (342).
15. Inv. 294b ; Philippona (1886) 144. Indien geen archiefdepot en -fonds wordt vermeld, is het OA Schagen bedoeld dat zich bevindt in het RegA Alkmaar.
16. Inv. 299 ; Philippona (1886) 142.
17. Inv. 330.
18. Bruinvis (1857) 253-254 nr. 65.
19. Inv. 301.
20. UB Leiden, Collectie Bodel Nijenhuis, inv. P311-I N5, volgnrs. A, b, c 1-5.. Afgedrukt: Diederik (1985) 215; Lambooij e.a. (1996) 87; zie ook 63-64.
21. Uitgegeven door Van Warmenhuysen (Amsterdam 1608). Detail afgedrukt bij Lambooij e.a. (1996) 71.
22. Diederik (1985) 214-216.
23. Inv. 294d.
24. Inv. 294b ; Philippona (1886) 144.
25. Inv. 294a, c en d; Philippona (1886) 144-145.
26. Inv. 1 f. sv.
27. Inv. 387 ongefol.
28. Inv. 1 f. 4v: vroedschapsresolutie van 12 nov. 1581; Philippona (1886) 147.
29. Inv. 295-298.
30. Diederik (1985) 216; de mededeling dat het convent wegens bouwvalligheid is gesloop, is onjuist.
31. Philippona (1886) 149.
32. Philippona (1886) 150.
33. Fruin (1866) 144.
34. Fruin (1866) 145.
35. Inv. 299; Philippona (1886) 143.
36. Inv. 294b.
37. Inv. 387 (ongefol.). Een geers is 1/3 morgen ; de geers is verdeeld in twaalf snees : Verhoeff (1983) 104-105.
38. Inv. 103 f. 1v.
39. Inv. 387.
40. Lambooij e.a. (1996) 71.
41. Inv. 294b; Philippona (1886) 144.
42. Inv. 294a en d; Philippona (1886) 144-145.
43. NHA, ORA Schagen inv. 5885 p. 79; 296.
44. Inv. 299; Philippona (1886) 142.
45. Inv. 294b; Philippona (1886) 144.
46. Inv. 294b.
47. Inv. 1 f. 1.
48. Inv. 299.
49. Inv. 1 f. 1v d.d. 4 sept. 1577.
50. Inv. 387.
51. Inv. 1 f. 2v.
52. Philippona (1886) 148, zonder bronvermelding: Hoge Raad of Hof van Holland?
53. COO nr. 1108.
54. Inv. 300; Philippona (1886) 145-146. Het verhaal wordt ook verteld door Lambooij e.a. (1996) 72, die echter abusievelijk spreken van 'Staten van Holland'.
55. Inv. 300b. Dit is ook de vindplaats van de volgende namen.
56. WA, OA Hoorn inv. 804 (reg. 313).
57. WA, OA Hoorn inv. 813 (reg. 320).
58. Bruinvis (1903) 122.
59. WA, OA Hoorn inv. 781; Van Engen (2006) 199.
60. NHA, ORA Schagen inv. 5885 p. 79; 296.
61. Lambooij e.a. (1996) 69; 71. Zie notitie over hem bij Alkmaar / Jonge Hof.
62. Inv. 294b; 300b; 387.
63. Inv. 294b en c; 387. Voor betrekkingen van deze persoon met het convent in 1562: NHA, ORA Schagen inv. 5885 p. 79.
64. Voor hem en de twee volgenden: inv. 294a en d.
65. Inv. 294c; 387.
66. Inv. 387.
67. Inv. 387.

[terug naar resultatenset]